Wij en zij, groupthink en polarisatie

Lees je het nieuws, dan lijkt het soms alsof steeds meer incidenten worden gepleegd door een “verward persoon”. Maar wat betekent die term eigenlijk? In zijn boek Over normaliteit en andere afwijkingen schrijft Paul Verhaeghe dat tv-psychologen en -psychiaters bij mediagebeurtenissen helemaal niet zozeer geïnteresseerd zijn in de verwarde man. Het gaat hen vooral om de gewone man—hun publiek—die zich vooral normaal moet blijven voelen. De boodschap is subtiel maar duidelijk: “We worden misschien omringd door gevaarlijke gekken, maar u bent het niét.”

Maar waarom voelen we ons zo ongemakkelijk wanneer we iemand ontmoeten die buiten de “normale” meningen of gedragingen valt—die afwijkt van de afgesproken werkelijkheid? Waar zijn we precies bang voor? Vrezen we de ander, of worden we vooral geconfronteerd met onze eigen onzekerheid: hoe normaal ben ik eigenlijk zelf?

Dat roept de vraag op: wie bepaalt wat “gek” is? Als normaliteit wordt afgeleid van het gemiddelde, dan is alles wat daarbuiten valt automatisch afwijkend. Maar wat zegt dat gemiddelde eigenlijk? En hoe eerlijk is het om uitzonderingen als “niet normaal” te bestempelen?

Bij de grote groep horen voelt veilig. De meeste mensen gedragen zich dan ook zo dat ze binnen die groep blijven—want stel je voor dat je een uitzondering bent. Toch is juist dat groepsdenken, of groupthink, de bron van een belangrijk probleem: het sluit alles wat niet op de groep lijkt uit. Het definieert het andere als vreemd, lastig of zelfs onwenselijk.

En dat is jammer. Want zodra we alleen nog kijken naar verschillen, verliezen we niet alleen elkaar, maar ook een deel van onszelf. Misschien kunnen we ons wat vaker richten op wat we met elkaar delen, in plaats van op wat ons scheidt.